Een commentaar op afspraken, compromissen en capitulaties met betrekking tot de walvisvangst

17 september 2010

Een commentaar op afspraken, compromissen en capitulaties met betrekking tot de walvisvangst

Door Dr.Sidney Holt

Op 15 september 2010 publiceerde het Japanse dagblad Asahi Shimbun een artikel getiteld: “Standpunt: Japan heeft de boot gemist wat de walvisvangst langs de kust betreft.” Het artikel was gebaseerd op een interview met Sir Geoffrey Palmer. Palmer was de geestelijk vader van een voorstel dat wordt beschreven als een compromis bedoeld om een uitweg te vinden uit de impasse die is ontstaan in de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) ten aanzien van de toekomst van de commerciële walvisvangst. De impasse is ontstaan doordat Japanse schepen doorgaan met de walvisvangst in de Antarctische Oceaan. Dit ondanks het feit dat de Internationale Walvisvaart Commissie in 1982 de commerciële vangst van alle grote soorten walvissen, met ingang van 1986, voor onbepaalde tijd op nul heeft gesteld (moratorium). Bovendien heeft de commissie in 1994 de gehele Zuidelijke Oceaan aangemerkt als walvisreservaat en bepaald dat de walvisvangst in dat hele gebied is verboden.

Het optreden van Japan wordt door haar regering gerechtvaardigd op grond van twee ‘achterdeurtjes’ in het verdrag van 1946, dat de grondslag vormt voor het bestaan en het gezag van het IWC. Het eerste geeft iedere lidstaat het recht om ongelimiteerd speciale vergunningen tot het doden van walvissen aan zijn onderdanen te verstrekken, onder de voorwaarde dat uitdrukkelijk wordt bepaald dat het doden plaats moet vinden voor wetenschappelijke doeleinden. Het tweede geeft een land het recht om te besluiten een beslissing van het IWC niet te zullen uitvoeren. Hiertoe dient het betreffende land binnen ongeveer drie maanden nadat het besluit is genomen een ‘bezwaar’ in te dienen bij de secretaris van de IWC .De Japanse regering heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit om de Zuidelijke Oceaan als reservaat aan te merken, maar wel tegen het feit dat de bepalingen ook van toepassing zouden zijn op de dwergvinvis. Het gaat om een soort, die zijn voedsel zoekt in de Antarctische Oceaan en waarvan de huidige Japanse walvisvangst afhankelijk is. Dit is de soort die sinds 1986/87 dankzij de speciale vergunningen elk jaar in groten getale gevangen is. In brede kringen is men van mening dat deze jacht op de dwergvinvissen in feite commercieel is, omdat de producten die ze opleveren worden verkocht en de opbrengst wordt gebruikt om de walvisvangst gedeeltelijk te bekostigen. Er wordt beweerd dat deze exploitatie op zo’n relatief kleine schaal plaatsvindt dat de ‘wetenschappelijke vangsten’ op duurzame wijze worden gevangen. Feit is dat na twintig jaar onderzoek, dat tientallen miljoenen dollars (en miljarden yen) heeft gekost, de Wetenschappelijke Commissie van het IWC het bij benadering niet eens kan worden over een schatting met betrekking tot het totale aantal aanwezige dwergvinvissen.

De regeringen van Noorwegen en IJsland staan hun onderdanen ook toe de commerciële walvisvangst te bedrijven. De eerste jaagt op dwergvinvissen in het noordoostelijk en midden gedeelte van de Atlantische Oceaan. Deze jacht vindt zowel plaats op grond van bezwaar dat is gemaakt tegen zowel de in 1982 genomen beslissing om de vangst op nul te stellen, als ook tegen de classificatie door het IWC in 1985 van de dwergvinvissen als ernstig bedreigde soort vanwege het sterk teruglopen van de aantallen. IJsland, dat geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing in 1982 en de walvisvangst een paar jaar staakte, heeft de commerciële walvisvangst onlangs hervat op grond van wat IJsland een post-facto ‘voorbehoud’ ten aanzien van het ‘moratorium’ van 1982 noemt. Het verdrag van 1946 bevat geen grondslag voor het maken van een ‘voorbehoud’ en het indienen van ‘bezwaar’ na de beginperiode van drie maanden, is uitdrukkelijk verboden in het verdrag. Op grond daarvan beschouwt ongeveer de helft van de lidstaten van het IWC het ‘voorbehoud’ van IJsland als ongeldig.

Alle drie de landen die de walvisvangst bedrijven, willen dat het besluit van 1982 wordt opgeheven of op zijn minst aanzienlijk wordt versoepeld. Een kleine meerderheid van de IWC-leden is tegen zo’n verandering, die alleen bij een meerderheid van driekwart van de stemmen kan worden ingevoerd. In het besluit van 1982 zijn geen voorwaarden opgenomen waaronder versoepeling van het besluit in overweging genomen kan worden. Men gaat er echter algemeen van uit dat er op zijn minst bewijs moet zijn voor herstel van de sterk gereduceerde walvispopulaties, en dat er een nieuwe, meer effectieve procedure tot regulering moet zijn ingesteld, die uitgaat van het voorzorgsprincipe en strenge bepalingen bevat om nakoming af te dwingen. Aan geen van beide voorwaarden is tot op heden voldaan, hoewel sommige soorten in aantal schijnen toe te nemen nadat ze door de walvisvangst bijna waren uitgeroeid. Er is echter een voldoende IWC-leden die de walvisjagende landen steunt in hun pogingen om het moratorium met onmiddellijke ingang op te laten heffen. Omdat deze landen gezamenlijk meer dan een kwart van de stemmen in handen hebben, kunnen zij de pogingen van de meerderheid om verdere maatregelen te nemen voor het behoud van de walvissen dwarsbomen. Dat doen zij dan ook: vandaar de langdurige impasse.

Het was de bedoeling dat het IWC een of andere versie van het ‘compromis’ dat Geoffrey Palmer voorstelde met algemene stemmen zou aannemen op de jaarvergadering in 2010 in Agadir, Marokko. De voorzitter en de vice-voorzitter van het IWC, de regeringen van de walvisjagende landen en hun bondgenoten en de VS steunden het idee. Op grond van het compromis zou het Noorwegen en IJsland worden toegestaan op walvissen te jagen (het eerste land op dwergvinvissen, het tweede op zowel dwergvinvissen als gewone vinvissen ) en zou Japan de commerciële walvisvangst op dwergvinvissen en Bryde’s walvissen mogen hervatten in de wateren dicht bij Japan (iets waarvoor de regering van Japan al meer dan twintig jaar jaarlijks heeft geijverd). Dit alles in ruil voor enige vermindering van het aantal dwergvinvissen dat wordt gevangen in het reservaat in de Zuidelijke Oceaan. Deze concessies werden gerechtvaardigd met de redenering dat er afspraken zouden worden gemaakt over de te vangen aantallen, zodanig dat het aantal walvissen dat wereldwijd gedood zou worden minder zou zijn dan het aantal dat in de afgelopen jaren was gedood. En dat het vaststellen van het aantal walvissen dat daadwerkelijk gedood mocht worden opnieuw onder de verantwoordelijkheid van het IWC zou vallen.

Palmer presenteert dit compromis in zijn interview in de Asahi Shimbun als een redelijk voorstel. Helaas laat hij na iets te zeggen over de vele andere bepalingen in het conceptcompromis die onacceptabel bleken te zijn voor de meeste leden, vooral voor o.a. Latijns-Amerika, Europa, Australië, Zuid-Afrika en India. De gepubliceerde versie van Palmer’s interview in de Asahi Shimbun geeft feitelijk een grondig ‘gekuiste’ versie van het voorgestelde compromis weer. Ik hoop dat hier duidelijk te maken. Het feit dat de onderhandelingen gedurende de gehele bijeenkomst van het IWC in Marokko achter gesloten deuren werden gevoerd, bemoeilijkt dit. Tijdens de onderhandelingen werden diverse wijzigingen in het conceptcompromis besproken. Zelfs de uiteindelijke versie, die geen eenstemmigheid opleverde, is niet gepubliceerd. Er is echter voldoende informatie ‘uitgelekt’ om een inschatting mogelijk te maken.

Het voorgestelde compromis werd door vele deelnemers beschouwd als een feitelijke capitulatie voor de walvisjagende landen en werd gezien als een Paard van Troje dat de vergaderzaal werd binnengereden. De bedoeling was dat het compromis voor 10 jaar zou gelden. Voor de vorm werd de mogelijkheid opengehouden om gedurende die periode, op basis van wetenschappelijke gegevens, de grotendeels willekeurige vangstbeperkingen te herzien. Het is echter algemeen bekend dat nog nooit in de geschiedenis van het IWC enig walvisjagend land voor een voorstel heeft gestemd dat de eigen vangsten zou beperken. Hoewel het regel is dat ze wel instemmen met gereduceerde vangsten voor andere landen.

Laten we dus eens kijken naar een paar van de onacceptabele hoofdpunten van de ‘deal’. Om te beginnen was het tellen en op één hoop gooien van verschillende soorten walvissen, die bovendien per stuk een totaal verschillende waarde hebben, enorm misleidend. De beruchte Tabel 4 van de voorgestelde overeenkomst waarin de aantallen per soort en per gebied stonden vermeld die de walvisjagende landen wilden vangen, of waarvan de onderhandelaars van de niet-walvisjagende landen dachten dat zij ze zouden accepteren, bevatte bij voorbeeld veel gewone vinvissen, die per stuk tien keer zoveel waard zijn als een dwergvinvis. Door ze op één hoop te gooien was het mogelijk de totale waarde van de vangst – dat wil zeggen het tonnage aan  vlees, dat uiteindelijk bijna in zijn geheel naar Japan zou gaan – hoger uit te laten komen dan voorheen, terwijl de schijn werd gewekt dat de aantallen werden teruggebracht. Ten tweede bestonden de aantallen waarvan werd uitgegaan over het algemeen uit de quota die de walvisjagers zichzelf hadden toegekend en niet uit de aantallen die ze werkelijk hadden gevangen. Die waren in sommige gevallen aanzienlijk lager. Dit kwam gedeeltelijk door de acties van de kant van campagnevoerders van Greenpeace en Sea Shepherd waaraan de Japanse zeevloot had bloot gestaan. Aan het feit dat de walvisvangende landen, vooral Japan, grote voorraden onverkocht bevroren walvisvlees bezitten, werd geen enkele aandacht besteed.

Tijdens de laatste dagen van de vergadering in Marokko vonden er geheime besprekingen plaats tussen de walvisvangende landen en een paar bevoorrechte delegaties, met name de VS, Nieuw-Zeeland en Antigua & Barbuda (het thuisland van de vice-voorzitter van het IWC en één van de landen die financiële ‘overreding’ van Japan accepteren). Uit die besprekingen lekte naar buiten dat Japan uiteindelijk had aangeboden de vangst aan dwergvinvissen in de Antarctische Oceaan terug te brengen tot 150 exemplaren of minder. De meeste landen die willen dat de walvisvangst goed gereguleerd is als ze wordt hervat – er zijn maar weinig landen echt tegen de  walvisvangst , hoewel het wel vaak zo worden afgeschilderd – zijn van mening dat een reservaat een reservaat is. Je kunt een gebied niet als reservaat bestempelen en er dan walvisvangst toestaan. Het aantal walvissen dat gedood mag worden, doet dan niet ter zake: het hoort nul te zijn. In dezelfde tijd echter heeft de Japanse delegatie een ontmoeting gehad met de vertegenwoordigers van Latijns-Amerika. De Japanners lieten hen weten dat zij hun vangsten voor ‘wetenschappelijke doeleinden’ niet zouden verminderen en dat als de vertegenwoordigers van Latijns-Amerika niet zouden instemmen met de voorgestelde hervatting van de walvisvangst in de NW Stille Zuidzee zij zich gedwongen zouden zien de vangst van dwergvinvissen in de Antarctische Oceaan te verhogen. Verder zouden zij hun al eerder geuite dreigementen om bultruggen te gaan doden ten uitvoer brengen en doorgaan met het doden van gewone vinvissen – die te boek staan als bedreigde diersoort. Wat moeten we geloven? Tussen haakjes, het aanbod om het aantal dwergvinvissen dat in de Antarctische Oceaan gevangen wordt, terug te brengen tot 150, als het al ooit gedaan is (ik ken geen Europese delegatie die daarvan op de hoogte was) was in strijd met de door de jaren heen herhaalde bewering van Japan dat het aantal vergunningen dat werd verleend voor het doden van dwergvinvissen was gebaseerd op overwegingen van wetenschappelijke aard – grootte van de steekproef, geografische spreiding, enz. Niemand buiten Japan heeft dat ooit geloofd, maar het was aardig de twijfel bevestigd te zien worden. Het aantal vergunningen is altijd grotendeels vastgesteld op grond van een berekening van de marktwaarde van de seizoensopbrengst van een bepaalde omvang, de beraamde kosten van de vangst en de omvang van de subsidie die de Staat bereid was te betalen om de verliezen te compenseren. Men neemt aan dat deze subsidie de laatste jaren rond de 50% lag.

Behalve het spel met de aantallen, waarop bijna iedereen zozeer was geconcentreerd dat er geen aandacht was voor de rest van het voorstel, bevatte het Trojaanse Paard een sluwe en duistere bepaling. Het voorstel om het moratorium van 1982-86 en de besluiten van 1994 betreffende het reservaat in de Zuidelijke Oceaan te ontduiken zou, als het werd aangenomen en opgenomen in de Bijlage van het Verdrag van 1946 (dat is het deel dat gewijzigd kan worden en dat alle regelgeving vermeldt) ‘voorrang hebben’ boven de rest van de Bijlage. Deze ‘rest’ bevat de beslissingen die het IWC in de afgelopen 70 jaar heeft genomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om beslissingen met betrekking tot minimum grootte, seizoenen waarin walvissen al of niet gedood mogen worden, verboden gebieden (los van reservaten), bescherming van moeders en kalveren enz. Meer in het bijzonder zou het voorstel een einde maken aan de Nieuwe Procedure tot Regulering dat het IWC in 1974 heeft ingesteld. Hoewel is gebleken dat de Procedure gebreken vertoont, heeft deze wel geleid tot bescherming van alle soorten en populaties die sterk in aantallen terug bleken te lopen en meer in het bijzonder tot bescherming van alle baleinwalvissen op het zuidelijk halfrond, met uitzondering van de dwergvinvis en de Bryde’s walvis. (Het is een algemeen gangbare illusie, aangemoedigd door de walvisvangende landen, dat de baleinwalvissen en de potvissen onder de bescherming van het moratorium van 1982-1986 vallen, maar dat is niet waar)

Het voorstel ging bovendien zo ver dat erin werd geprobeerd fundamentele bepalingen in het Verdrag van 1946 te ontduiken. Het Verdrag verbiedt uitdrukkelijk het toekennen van vangstquota aan individuele landen of vloten. Selectieve toepassing van wat voor regels dan ook is eveneens verboden. Toch probeerden de opstellers van de deal door te drijven dat uitsluitend Japan, Noorwegen en IJsland commerciële walvisvangst mochten bedrijven, tenminste gedurende de komende tien jaar. Het is duidelijk dat Zuid-Korea, dat overweegt de walvisvangst te hervatten, dit niet kon accepteren. Maar het was ook een belediging voor die landen die hadden besloten vanaf 1986 te stoppen met de walvisvangst. De walvisjagende landen die geen bezwaar hadden gemaakt tegen het besluit van 1982 – Spanje, Brazilië, Chili en Peru – en die hadden toegezegd zich aan de nieuwe regels te zullen houden, waren niet van plan hun wettelijk recht om de walvisvangst  in de toekomst te hervatten voor goed op te geven. Zo’n hervatting zou een gevolg kunnen zijn van veranderingen in de regelgeving of de markten, of een antwoord op vastgestelde nationale behoeften. Formeel gaat het bij het zogenaamde ‘moratorium’-besluit van 1982 om een pauze. (IJsland heeft eveneens geen bezwaar gemaakt, heeft verscheidene jaren afgezien van de walvisvangst, verliet het IWC en werd later weer lid en eiste zijn rechten weer op).
Op deze en vele andere punten was het voorstel slecht doordacht en van het begin af aan gedoemd te mislukken. Geen enkele aanpassing in de cijfers zou ooit kans maken om het acceptabel te maken voor een meerderheid, laat staan leiden tot eenstemmigheid. Sommige manoeuvres om de twijfelaars te overtuigen, waren ongelooflijk bot: er werd beweerd dat er ten aanzien van het moratorium en het instellen van reservaten niets zou veranderen, terwijl beide regelingen schaamteloos ontdoken werden doordat de regel ‘de bepalingen in dit voorstel hebben voorrang boven alle andere’ in het concept was opgenomen.

Een ander voorbeeld hiervan was het aanbod aan de vertegenwoordigers van Latijns-Amerika om de Zuidelijk Atlantische Oceaan tot reservaat te verklaren. Iets waarvoor zij al heel lang campagne voeren. Alleen zouden ze dan moeten stoppen met hun sterke steunverlening aan de bescherming van de veel belangrijkere Zuidelijke Oceaan.

Het is jammer dat Sir Geoffrey nog steeds denkt dat er een kans was dat de een of andere versie van zijn deal zou worden aangenomen, en dat het hem, met hulp van de regering Obama, gelukt zou zijn, als die hinderlijke Latijns Amerikanen en Europeanen geen roet in het eten hadden gegooid. Het is ook beschamend dat een paar van de grootste en meest invloedrijke niet-overheidsinstellingen (NGO’s) zoals de Pew Charitable Trust, het Worldwide Fund for Nature en Greenpeace, die in het algemeen tegen de commerciële walvisvangst zijn, een dubbelzinnige, ja zelfs verdachte, positie innamen tijdens de beraadslagingen in Marokko en daarvoor. Wij moeten aannemen dat zij dat deden in de hoop dat diepgaande veranderingen in het oorspronkelijke ontwerp het voorstel acceptabel zouden maken en niet uitsluitend goed voor sommige mensen, maar ook voor walvissen.

Helaas heeft de behoefte van de delegatie van de VS om een goede indruk te maken op walvisjagende landen ertoe geleid dat een Deens voorstel om Groenlanders toe te staan bultruggen te doden, uiteindelijk werd aangenomen. Het doel hiervan was zogenaamd om een bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van de bevolking. Dit ondanks het feit dat tenminste twee niet-overheidsinstellingen (NGO’s) afdoend bewijs hadden overgelegd, waaruit bleek dat vlees van andere soorten baleinwalvissen, gevangen door Groenlanders en bedoeld voor levensonderhoud, wordt verkocht in supermarkten, aan toeristen en zelfs geserveerd wordt aan boord van langs komende cruiseschepen. Deze bultruggen zijn de dieren die zijn gefotografeerd, gecatalogiseerd, die een naam hebben gekregen, door wetenschappers zijn voorzien van een zendertje en die zijn gadegeslagen door duizenden mensen die het Caribisch gebied en de trekroutes bezochten. Het is niet waarschijnlijk dat zulke vreselijke besluiten de status van het IWC zullen verhogen. Net zo min als ze zullen bijdragen aan de geloofwaardigheid van sommige zogenaamde pro-walvis regeringen. 

 

Evenementen:

27 april
Amsterdam, NDSM Vrijhaven
5 mei
Vlissingen
6 mei
Podium Mozaïek, Amsterdam

Sites werldwijd:

Australië België Brazilië Canada Chili Duitsland Europa Frankrijk Galápagos Global Hongarije Italië Nieuw Zeeland Spanje Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Zwitserland

Top Tweets:


Andere vertalingen:


Fiscaal Voordeel:

ANBI Logo

Onze partner: